Zak.

”Ik vind er geen zak aan” is duidelijke taal en hopelijk geldt dat niet voor mijn verhaaltjes.
”Ge keu mijne zak opblaozen” mogen we onder onwelvoeglijk taalgebruik scharen.
Net als iemand toevoegen dat hij een zakkenwasser is.
Woorden zoals balzak, rotzak en klootzak hebben duidelijk iets met mannen te maken.
Maar als we het over de zak van Sinterklaas hebben dan praten we over een baalzak en de zak van Zuid-Beveland is in het voorjaar erg mooi door de vele bloeiende meidoorns.
Zegt men: ”die heb ik in mijn zakken zitten” dan wordt die persoon doorzien.
Als iemand tegen je zegt, ”die kun je in je zak steken” dan hebben ze je fijntjes te pakken.
Er zijn veel voorwerpen die men letterlijk in de zak kan steken, zoals een zakdoek, een zakflacon, een zakmes of een zaklamp.
Als je een kat in de zak gekocht hebt, dan kun je in zak en as zitten.
Afzakken naar een cafeetje is leuk en daar doorzakken is nog leuker.
Een zak in de weg is daarna lastig als je er met de fiets moet passeren.
Kom je dan met een geschaafd gezicht thuis dan krijg je onder uit de zak.
Opzakken doe je op het land met petetten die uitgereden zijn.
Dan kan de laatste zak aan de collega-knecht worden opgegeven om diens rug te sparen.
Maar, als je ”de leste man de zak opgeeft”, dan vertrek je als laatste uit het café.

Ut is maor da gut weet.

Ward

Durpspolletiek.

Het gemeentehuis van Vogelwaarde, dus ook dat van Hengstdijk, stond van 1936 tot 1970 op Rapenburg, links van de kerk. Rechts had je ons café Het Wapen van Zeeland.
Gemeentesecretaris Ben de Schepper verwoordde het als volgt: ”we werken op het gemeentehuis, ontspannen in het café en we houden de kerk in ’t midden.”
Er zijn veel histories over dorpspolitiek zoals die van middenstander Piet Kint van Kloosterzande die op Hengstdijk in het café bij Van Dijk stemmen dacht te winnen door veel bier uit te laten schenken.
Of hij zich van café vergist heeft weten we niet maar Hengstdijk hoorde in de jaren 1960 niet bij zijn gemeente Hontenisse.
Landelijk bekend is Fons de Bakker geworden, wethouder voor den Bos en de pastoor, zei men.
Fonsken werd weggestemd en boze Bossenaren trokken met spandoeken naar het gemeentehuis waarbij harde woorden en dreigementen niet werden geschuwd.

Fons de Bakker

Fons de Bakker

Ook niet tegen het Hengstdijkse raadslid meester Schelfout die meermaals langs achter uit ons café aan de volkswoede probeerde te ontsnappen. Voor het jaarlijkse ”konseir” of toneelvoorstelling leende men op den Bos stoelen uit het patronaatsgebouw van Rapenburg. Die werden met kar paard opgehaald door Toon Cito. Bij aankomst op den Bos werd hij die keer direct teruggestuurd door pastoor Vermeulen: ”Geen stoelen van Rapenburg.”

 

 

En van al dat politieke gekrakeel had volgens De Telegraaf, de plaatselijke café-uitbater van Het Wapen van Zeeland het meeste profijt.
En laat dat nou mijn vader zijn geweest.

Het is maor da gut weet.
Ward

Valentijn.

Liefde is…………
Amor vincit omnia, liefde overwint alles, dat werd heel lang geleden al opgetekend. Veel boeken, bomen en bankjes zijn over liefde volgeschreven.
Tegelijkertijd puilen de archiefkasten van advocaten uit van dossiers over liefdes die maar tijdelijk bleken te zijn.
Jaarlijks op 14 februari op Valentijnsdag, zijn we door de commercie opgejut om via cadeaus, dinertjes en digitale boodschappen te laten blijken dat onze liefde nog volop bloeit.
Liefde is niet met één woord uit te leggen en kent ook geen logica.
Dat ondervond Pieter Bas, de grootvader van Godfried Bomans, die op het schoolplein aan een meisje om een knikker vroeg:
”Dien stuiter geef ik aardiger jongens” was het antwoord.
Later bedacht zij zich en schonk hem negen kinderen.
Ook mijn vader had zo zijn mening over dit onderwerp.
”Op ieder potjen past een dekselken, maor ut wupt wel eens op.”
En om de betrekkelijkheid van de liefde te verwoorden gebruikte ons moeder Joost van den Vondels Gijsbreght van Aemstel:
”Waar werd oprechter trouw dan tussen man en vrouw ter wereld ooit gevonden. Twee zielen gloeiende aaneengesmeed, door hypotheek en zaak gebonden.”
En laatst nog hoorde ik mijn jongste broer nog zeggen:
”W’ebben ammaol wel eens mee d’achterdeur in ons ’anden gestaon.”

Ut is maor da gut weet.

Ward

Ne Klopper.

Soms hing hij jarenlang doelloos aan de voordeur want veel mensen hadden vroeger de gewoonte om ”last achter” te gaan. Maar het kan net zo goed iemand zijn die niet aanbelt, maar aanklopt.
Een klopper kan allerlei vormen hebben en van gietijzer, koper of hout zijn.
Wat we wel weten is dat een klopper bij ons elk fors exemplaar is van het mannelijke geslacht, dieren inbegrepen.
In de zoektocht naar de oorsprong van ons dialect vind je in woordenboeken over vrouwen veel lelijke woorden.
Over mannen veel minder. Als mannen eens dronken zijn, dan zijn ze ”beneveld, boven hun theewater, lucht op of beschonken” en nog vele andere vergoelijkende benamingen.
Ze zingen dan in het vrolijke café wel eens over vrouwen en dat klinkt meestal weinig vrouwvriendelijk.
Ik voel me wel een beetje gênant bij het opschrijven van enkele regels van een oud lied, maar ik kan het eerlijk gezegd niet laten.
Met voorafgaande excuses aan de vrouwelijke lezers van mijn column: “Wij mannen slachtoffers van het vrouwelijk geslacht, ja, ja wij zijn in die serpenten hunne macht.”
En dan ging het verder, over een flinke vent.
”Den euren was ne vreeën, maor ze was nog nie content.”
Hopelijk is de vent die eerdaags aan haar voordeur klopt, ne klopper van vlees en bloed.

Ut is maor da gut weet.
Ward

Sneeuwwit liggen.

Ook al is wit een kleur, ik heb nog nooit iemand horen zeggen dat wit kleur aan iets geeft. Wel kun je witjes zien en toch nog een beetje kleur hebben zoals de nauwelijks bedekte sneeuwwitte boezem die met carnaval werd bezongen. En ik herinner mij een buurjongetje dat al flink bezig was om te leren tellen.
”Oeveel konijnen edde gulder? Drie witte en nog ne witten.” Een glas met bier en veel 7-Up limonade, noemen ze een met een Frans woord ”Panaché” maar bij ons in het dorpscafé heette dat gewoon een ”Sneeuwwitjen.” Hoewel het een drankje was voor jongere mensen had het niks te maken met Sneeuwwitje en de zeven dwergen.
Het is niet zo dat iedereen van een wit sneeuwtapijt houdt maar vliegende zwarte sneeuw daar zit niemand op te wachten. Soms blijft de sneeuw mooi liggen en dan is het bij een stralend zonnetje glanzend wit buiten.
Maar ”sneeuwwit liggen” doe je binnen, al of niet onschuldig of onwetend tussen de witte lakens. Als de veldwachter in naam der wet met een onderzoek bezig was, kwam hij meestal als eerste bij Lenard terecht. Dat zal zo zijn redenen gehad hebben.
”K’eb van den nacht niks g’oord want ik lag sneeuwwit.”

Ut is maor da gut weet.
Ward